Waarom één taal de rij niet oplost
Een menukaart in het Nederlands is voor je vaste gast genoeg. Voor een hotelgast, een toerist of een collega die de taal niet leest, wordt die kaart een gesprek. “Wat is dit?” en “zit daar melk in?” duren langer dan de bestelling zelf. In de spits is dat weer de rij: niet omdat de keuken traag is, maar omdat één medewerker moet vertalen terwijl de volgende gast wacht. De zuil haalt dat gesprek alleen weg als de taal op het scherm staat, niet op een briefje naast de kassa.
De gast kiest de taal aan het begin, voordat het menu opent. Daarna lopen gerecht, extra’s en de vraag om een saus in die taal door. Wisselt hij halverwege, dan moet de samenstelling blijven staan. Niets is zo onhandig als een winkelmandje dat leegvalt omdat iemand op een vlaggetje tikte. De talen die je aanzet, zijn de talen die je op die locatie echt tegenkomt. Een lijst van twintig talen die niemand kiest, maakt het startscherm onrustig. Drie talen die je gasten gebruiken, maken de rij korter.
De vertaling onderhoud je in het CMS, bij het gerecht, niet als een los bestand dat iemand eens per seizoen mailt. Een gerecht met een naam die niet letterlijk vertaalt, controleer je zelf. Een verkeerde gerechtnaam is erger dan een ontbrekende taal, want de gast bestelt dan iets anders dan de keuken maakt. Automatisch vertalen kan het eerste concept leveren. De naam van de snack, de saus en de waarschuwing blijven jouw verantwoordelijkheid. Dat is hetzelfde werk als de menukaart op de ruit, alleen op één plek.
In een hotel of een zaak met veel internationale gasten is die eerste taalkeuze geen luxe. Het is het verschil tussen een balie die blijft vertalen en een balie die uitgifte en vragen overhoudt. Hoe de zuil in de horeca verder in de dienst past, staat bij zelf-order voor de horeca. Voor de hotellobby, waar inchecken en bestellen elkaar raken, kijk je bij hotels.
Allergenen op het scherm, vóór het afrekenen
Gasten moeten kunnen nagaan welke allergenen in een gerecht zitten voordat ze bestellen. Dat hoort bij eten serveren, niet bij een extraatje van de zuil. Op een drukke toonbank ligt die informatie vaak in een map, of in het hoofd van de medewerker die net pauze heeft. De gast die het niet durft te vragen, slaat het gerecht over of bestelt het toch. Beide zijn een slechte uitkomst. Op het scherm staat de informatie op het moment van de keuze, bij het gerecht, voordat er betaald wordt.
Toon wat je ook aan de balie zou zeggen: de allergenen die in dat product zitten, zichtbaar zonder een extra rondje naar de keuken. Een gast met een noten- of melkallergie moet dat kunnen zien zonder de rij op te houden. De zuil vervangt de kennis van de keuken niet. Staat er in het CMS een verkeerd allergeen, dan staat die fout op het scherm, net zo hard als op een verkeerde menukaart. Iemand die het recept wijzigt, wijzigt dus ook de kaart. Eén record, niet een scherm én een map die uit elkaar lopen.
Niet elke vraag past in een icoon. “Kan dit zonder de saus?” of “zit er spoor van in de frituur?” is een gesprek. Dat gesprek blijft bij je team. De zuil is er zodat de standaardinformatie niet van dat gesprek afhangt, en zodat de gast die het wél kan lezen niet hoeft te wachten tot iemand vrij is. Zet de zuil zo dat een medewerker erbij kan komen als de gast zwaait, niet achter een muur. Allergenen op het scherm en een mens in de buurt horen bij elkaar.
Bij een bakker is dat extra zichtbaar, omdat gasten voedingswaarde en allergenen vaak opzoeken voordat ze iets meenemen. Die inzet staat bij bakkers. In een restaurant of snackbar is het dezelfde afspraak, alleen met een korter menu en een hogere tempo. De informatie hoort bij het product, in de taal die de gast net koos. Een Nederlandse waarschuwing onder een Engelse gerechtnaam is half werk.
Talen en allergenen in hetzelfde menu
Houd naam, prijs, foto, allergenen en vertalingen aan hetzelfde product. Een aparte vertaallijst en een aparte allergenenlijst lopen uit elkaar zodra je een saus wijzigt. De gast ziet dan een Engelse naam met een Nederlandse waarschuwing, of een waarschuwing die bij het oude recept hoort. In het CMS is het één kaart. Wijzig je de samenstelling, dan wijzig je de tekst die op de zuil staat, in elke taal die je voor dat product bijhoudt.
De prijs en de extra’s volgen dezelfde taalkeuze, anders begrijpt de gast de sausvraag niet terwijl het gerecht wel vertaald is. Een upsell die alleen in het Nederlands verschijnt, is voor een anderstalige gast onzichtbaar of onbegrijpelijk. Wil je die extra vraag, dan hoort hij in de taal van het scherm, met het allergeen van die extra erbij. Een saus met mosterd die niet op het scherm staat, is precies de aanvulling die misgaat. Meer over die extra vraag staat bij upsell op de bestelzuil.
Uitverkocht werkt hetzelfde. Haal je een product weg, dan verdwijnt het in elke taal, met zijn allergenen en zijn suggesties. Je hoeft niet per taal een bordje te verwisselen. Dat is ook de reden om niet met losse schermen te werken die iemand lokaal heeft vertaald. Eén menu, de talen die je aanzet, en de allergenen op het product. De zuil toont wat erin staat. Hij verzint het niet.
Voor een restaurant met een vaste kaart en een dagmenu betekent dat: het dagmenu krijgt dezelfde behandeling als de vaste kaart, inclusief taal en allergenen, anders bestellen anderstalige gasten alleen de kaart die wél compleet is. Restaurants en de horeca-opzet gaan over die vloer. De meertalige zuil is geen los project ernaast. Het is dezelfde menukaart, leesbaar voor de gast die voor je staat.